Dierziekten

Dierziekten kunnen ook voor de mens risico’s met zich meebrengen. Sommige besmettelijke dierziekten kunnen namelijk van dieren naar mensen worden overgedragen. Deze ziekten worden zoönosen genoemd. In deze arbocatalogus wordt ingegaan op de risico’s van deze zoönosen voor werknemers in de diervoerderindustrie en de maatregelen die moeten worden genomen om deze risico’s te verminderen. Deze arbocatalogus gaat niet in op de maatregelen die moeten worden genomen in het kader van meldingsplichtige dierziekten om verspreiding van ziekten van het ene naar het andere bedrijf te voorkomen.


Animatiefilmpje Arbeidsrisico Dierziekten

Zoönosen kunnen worden veroorzaakt door levende organismen zoals schimmels, bacteriën, parasieten en virussen. In de arbowereld wordt deze groep samengevat onder de term ‘biologische agentia’. Bekende voorbeelden van zoönosen die in de afgelopen jaren veel aandacht in de media hebben gekregen zijn Q-koorts en vogelgriep. Zoönosen kunnen worden opgelopen door inademing, huidcontact of opname via de mond bij onvoldoende hygiëne. 

In de diervoederindustrie kan er voor werknemers die de agrarische bedrijven bezoeken een verhoogd risico bestaan op het oplopen van deze ziekten, vooral bij het betreden van de stallen en handelingen die worden verricht met de dieren in de stallen of met de uitwerpselen van de dieren.

In zeer uitzonderlijke gevallen, bij een uitbraak van specifieke dierziekten in een bedrijf, kan er ook al een risico bestaan bij het betreden van het erf van de boerderij. Deze arbocatalogus gaat alleen in op de risico’s voor werknemers. Bij uitbraken van dierziekten zijn er vaak aanvullende regels van kracht om verspreiding van dierziekten naar andere bedrijven te voorkomen. Bij deze aangifteplichtige dierziekten zijn de regels vanuit de overheid altijd leidend.

De zoönosen die voor de werknemers in de diervoederindustrie relevant kunnen zijn verschilt per type agrarisch bedrijf en is afhankelijk van de diersoort die op dat bedrijf aanwezig is. In de onderstaande tabel is per diersoort aangegeven welke zoönosen in potentie relevant kunnen zijn. Klik op de naam in de tabel voor korte achtergrondinformatie voor elke dierziekte. Voor de meest actuele en meer gedetailleerde informatie over elke zoönose, zie de website van het Landelijk Coördinatiecentrum Infectieziektenbestrijding (onderdeel van het RIVM).

 

Naam zoönose

(op alfabetische volgorde)

Altijd relevant

Alleen relevant bij uitbraak

Pluimvee

Rund

Varken

Schaap/geit

Paard

Extra risico bij zwangerschap

Ascaridose / Spoelworm

X

 

 

X

X

X

 

 

Brucellose / Maltakoorts

 

X

 

X

X

X

 

X

Campylobacteriose / Campylobacter

X

 

X

X

X

X

X

X

Chlamydophila abortus

X

 

 

 

 

X

 

X

Clostridium perfringens

X

 

X

 

 

 

 

 

Cryptosporidiose

X

 

 

X

X

X

X

 

Difterie

X

 

 

 

 

X

 

 

E. coli bacteriën / ESBL / EHEC /

Hamburgerziekte (STEC)

X

 

X

X

X

X

X

X

Giardiasis

X

 

 

X

 

 

 

 

Hepatitis-E virus

X

 

 

 

X

 

 

X

Leptospirose / Melkerskoorts

X

 

 

X

X

X

X

X

Listeriose

X

 

 

X

X

X

 

 

Meningitis

X

 

 

 

X

 

 

 

Miltvuur/Antrax

 

X

 

X

X

X

X

X

Mond en klauwzeer / tongblaar

 

X

 

X

X

X

 

 

MRSA

X

 

X

X

X

 

X

 

Orf / Zere bekjes

X

 

 

 

 

X

 

 

Psittacose / papegaaienziekte

X

 

X

 

 

 

 

X

Pseudo vogelpest / Newcastle Disease

 

X

X

 

 

 

 

 

Q-koorts

 

X

 

X

 

X

 

X

Ringworm

X

 

 

X

X

X

X

 

Salmonellose / Salmonella

X

 

X

X

X

X

X

 

Schurft / Scabiës

X

 

 

X

X

X

X

 

Tetanus / (wond)botulisme

X

 

X

X

X

X

X

X

Toxoplasmose

X

 

 

X

X

X

 

X

Tuberculose / Runder TBC

 

X

 

X

 

X

 

 

Varkensinfluenza

X

 

 

 

X

 

 

X

Vlekziekte

X

 

X

 

X

 

 

 

Vogelgriep

 

X

X

 

 

 

 

X

VRE

X

 

X

 

 

 

 

 

Yersinia

X

 

X

 

 

 

 

 

 

Bij de aanpak wordt onderscheid gemaakt tussen normale situaties en situaties dat er een dierziekte op een bedrijf heerst.

In een normale situatie is er geen sprake van specifieke dierziekten op een bedrijf, maar is er altijd een zeker achtergrond risico voor zoönosen. Dit achtergrondrisico kan beheerst worden met een beperkt pakket van maatregelen. De risico’s verschillen per functiegroep en zijn bijvoorbeeld laag voor chauffeurs die alleen diervoeders leveren maar niet de stallen in gaan, maar zijn groter voor buitendienstmedewerkers die ook de stallen moeten betreden.

De risico’s zijn vooral groter in een aantal specifieke situaties, waarbij extra maatregelen noodzakelijk zijn:

  1. Er zijn dieren ziek, waarbij nog onbekend is of er sprake is van een besmettelijke dierziekte die ook voor de mens een risico kan vormen;
  2. Er is een bevestigde uitbraak van een dierziekte op een bedrijf;
  3. Bepaalde groepen werknemers lopen extra risico, bijvoorbeeld ten tijde van zwangerschap. Daarbij is het risico vooral relevant voor het ongeboren kind.

Bij de oplossingen worden de noodzakelijke maatregelen per situatie uitgewerkt. De volgende soorten van maatregelen kunnen daarbij relevant zijn:

  1. Vermijden van het risico, bijvoorbeeld door bedrijf niet te bezoeken of niet de stallen in te gaan;
  2. Hygiëne maatregelen (bedrijfskleding, handhygiëne, afdekken van wondjes);
  3. Persoonlijke beschermingsmiddelen (handschoenen, ademhalingsbescherming);
  4. Alert zijn op eerste ziekteverschijnselen bij een eventueel bezoek aan een bedrijf waar een dierziekte heerst.

LET OP:
Deze arbocatalogus gaat alleen in op de risico’s voor werknemers en gaat niet in op de specifieke (aanvullende) maatregelen die de overheid op legt in het geval van meldingsplichtige dierziekten.

Regelgeving op dit gebied is opgenomen in het ‘Besluit Biologische Agentia’ (afdeling 9 uit het Arbobesluit). Dit is gebaseerd op Europese wetgeving. De wetgeving maakt onderscheid tussen het ‘gericht werken’ met biologische en het ‘niet-gericht werken’ met biologische agentia. Voor de diervoerder branche is alleen het ‘niet-gericht’ werken van toepassing. Er wordt immers niet doelbewust gewerkt met bepaalde micro-organismen, maar deze zijn een bijverschijnsel van het werk, namelijk bij contact met dieren.
De wetgeving verlangt dat er voor de werkzaamheden een goede verdiepende risico-inventarisatie en –evaluatie wordt gedaan en dat er op basis van deze verdiepende RI&E adequate maatregelen worden genomen om deze risico’s te beperken. De verdiepende RI&E biologische agentia kan worden uitgevoerd met de ‘Blauwdruk biologische agentia’. Deze methodiek is gebruikt om de risico’s bij de diervoeder industrie in kaart te brengen. Werknemers moeten worden voorgelicht over de risico’s en de maatregelen die nodig zijn om deze risico’s te beperken.

In de RI&E moet aandacht worden besteed aan de volgende risicogroepen:

  1. zwangere vrouwen;
  2. jeugdigen; werknemers jonger dan 18 jaar mogen geen arbeid verrichten waarbij blootstelling mogelijk is aan biologische agentia uit categorie 3 en 4. Dit is voor de diervoederindustrie niet relevant;
  3. personen met een verminderde weerstand (immunologisch, of lijdend aan (een) chronische ziekte(n)).