Machineveiligheid

Machineveiligheid gaat over het beperken van de risico’s bij het werken met arbeidsmiddelen, zoals persen, mengers, mixers, elevatoren, heftrucks, kranen en dergelijke. Bij werkzaamheden aan machines en andere arbeidsmiddelen kunnen zich verschillende risico’s voordoen:

  • Knellen, snijden of pletten door bewegende delen, zoals aandrijvingen van diverse machines;
  • Intrekgevaar door roterende apparatuur en draaiend gereedschap;
  • Gevaar voor verbranding;
  • Valgevaar;
  • Aanrijdgevaar door transportmiddelen.

Reikwijdte:
Dit onderdeel van de Arbocatalogus beschrijft machineveiligheid door het hele bedrijf heen, vanaf de ontvangst tot aan de bulkwagens. Het geeft de risico’s en maatregelen weer voor werkzaamheden van de operators en andere uitvoerende medewerkers. En wel tot en met het eerste niveau van onderhoud.

 

CE-markering en Arbobesluit
Voor veel arbeidsmiddelen geldt dat ze moeten voldoen aan de Europese productrichtlijnen voordat ze op de markt mogen worden gebracht. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de fabrikant van het arbeidsmiddel. Is het product volgens de fabrikant in overeenstemming met de Europese richtlijnen, dan wordt de CE-markering aangebracht en dient een verklaring van overeenstemming en gebruiksaanwijzing met het arbeidsmiddel worden meegeleverd.

Werkgevers moeten de gebruiksaanwijzing op CE-gemarkeerde arbeidsmiddelen opvolgen en de werknemers volgens deze gebruiksaanwijzing een instructie en voorlichting geven. De gebruiksaanwijzing wordt geleverd in de landstaal van de gebruiker.  

Voor oudere arbeidsmiddelen, waarvoor geen Europese richtlijnen gelden, bijvoorbeeld voor machines die voor 1995 in gebruik zijn genomen, heeft de werkgever de verplichting ervoor te zorgen dat het arbeidsmiddel aan de vervaardigingsvoorschriften van het Arbobesluit (art. 7.4, 7.7, 7.13 t/m 7.16, 7.17a en 7.17b) voldoet. Daarbij gaat het om zaken als: deugdelijkheid, veiligheidsvoorzieningen in verband met bewegende delen, veilige bedieningssystemen, noodstoppen en veilig inwerkingstellen en stopzetten. Deze bepalingen uit het Arbobesluit dienen overigens ook nageleefd te worden voor machines mét een CE-markering.

Als een machine ingrijpend wordt gewijzigd door de werkgever, wordt de werkgever beschouwd als ‘fabrikant’ en is hij verantwoordelijk voor het opnieuw doorlopen van het gehele CE-traject van deze machine.

RI&E
Machineveiligheid is een onderdeel van de door de Arbowet verplichte risico-inventarisatie en -evaluatie. Naast de periodieke RI&E is het sterk aan te bevelen om regelmatige inspecties/audits/rondgangen te houden om de staat van de machines en van de beveiligingen in kaart te brengen en waar nodig te verbeteren.

Hier volgt een verkorte weergave van enkele belangrijke wettelijke regels op het gebied van machineveiligheid, voornamelijk afkomstig uit Hoofdstuk 7 van het Arbobesluit. Inhoudsopgave:

  • veiligheidsvoorzieningen
  • bedieningssystemen
  • in werking stellen van arbeidsmiddelen
  • stopzetten van arbeidsmiddelen
  • noodstopvoorziening
  • onderhoud
  • deskundig gebruik
  • keuring
  • veilig omgaan met electriciteit
  • veilige heftrucks
  • verkeersveiligheid

Veiligheidsvoorzieningen 

  • Als bewegende delen gevaar kunnen opleveren, zijn deze zodanig van schermen of beveiligingen voorzien (zo nodig aangevuld met vergrendelingen- of blokkeringen), dat het gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen.
  • De schermen of beveiligingen zijn stevig uitgevoerd, leveren geen bijzondere gevaren op, kunnen niet op eenvoudige wijze worden genegeerd of buiten werking worden gesteld, zijn op voldoende afstand van de gevaarlijke zone van het arbeidsmiddel aangebracht en belemmeren zo weinig mogelijk het zicht op de arbeid.
  • De schermen of beveiligingen zijn op een zodanige wijze aangebracht dat de noodzakelijke onderhouds- en reparatiewerkzaamheden op veilige wijze kunnen worden uitgevoerd. Daarbij wordt zoveel mogelijk voorkomen dat de schermen of beveiligingen moeten worden gedemonteerd.

Bedieningssystemen

  • Bedieningssystemen zijn veilig en dienen duidelijk zichtbaar en van herkenbare aanduidingen te zijn voorzien.
  • Ze dienen zoveel mogelijk buiten de gevaarlijke zone van het arbeidsmiddel te zijn opgesteld.
  • Ze moeten bij het in werking stellen met onvoldoende overzicht een signaal afgeven.
  • Ze leveren ook bij onopzettelijke handelingen geen gevaar op. Een storing of beschadiging van een bedieningssysteem mag eveneens geen gevaar opleveren voor de werknemers.

In werking stellen van arbeidsmiddelen

  • Een arbeidsmiddel mag uitsluitend door een opzettelijk verrichte handeling in werking gesteld worden (b.v. een schakelaar omzetten of knop indrukken of een afsluiter openen). Dit geldt niet wanneer het opstarten van een arbeidsmiddel onderdeel is van een normaal programma van een automatische cyclus.
  • Voor het verrichten van niet-elektrotechnische werkzaamheden, moet de machine of het toestel zijn voorzien van een werkschakelaar of afsluiter. Deze moet in de onmiddellijke nabijheid van de machine of het toestel zijn gesitueerd. De werkschakelaar/ afsluiter moet kunnen worden vergrendeld, als er: 
    • Vanaf de machine of het toestel geen zicht is op de werkschakelaar/ afsluiter, en / of als
    • Bij het onverwacht inwerkingtreden van de machine of het toestel gevaar bestaat voor ernstig lichamelijk letsel;
    • Als na een spanningsdaling of -uitval, het terugkeren van de spanning gevaar op kan leveren voor personen of goederen, moet een nulspanningsschakelaar zijn geïnstalleerd;
    • Wandcontactdozen in een eindgroep, die buiten zijn gemonteerd, moet zijn aangesloten achter een aardlekschakelaar;
    • Arbeidsmiddelen zoals o.a. kranen mogen pas voor de eerste maal in gebruik worden als deze zijn vrij gegeven door een bevoegde instantie.  

Stopzetten van arbeidsmiddelen
Een arbeidsmiddel wordt op een veilige manier stopgezet. Daarbij wordt de energietoevoer onderbroken.  De opdracht tot stopzetting kan niet worden opgeheven door een opdracht tot starten. 

Noodstopvoorziening 
Een arbeidsmiddel beschikt over een noodstopvoorziening als dit, met het oog op de gevaren van dat arbeidsmiddel en de normale tijd die nodig is om dat arbeidsmiddel stop te zetten, noodzakelijk is. Een noodstop: 

  • Is nodig bij bedieningsplaatsen van machines met aandrijvingen;
  • Is geen alternatief voor afscherming;
  • Moet eenvoudig bereikbaar zijn vanaf de werkplek en duidelijk herkenbaar zijn; 
  • Op lange productielijnen dienen meerdere noodstops aanwezig te zijn;
  • Moet onder alle omstandigheden kunnen worden gebruikt;
  • Moet door één eenvoudige handeling worden ingeschakeld, waarbij toevallige bediening wordt voorkomen;
  • Het opheffen van de noodstop mag niet in één handeling het uitgeschakelde deel van de installatie weer inschakelen. Daar moeten minstens twee handelingen voor nodig zijn. Dus: door het loslaten van de noodstop blijft deze toch gehandhaafd.

Onderhoud
Arbeidsmiddelen moeten worden onderhouden zodat ze altijd in een goede staat verkeren. Veelal is in de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het arbeidsmiddel informatie gegeven over het onderhoud. Van het onderhoud moet een administratie worden bijgehouden. Met het onderhoudsboek kan de werkgever, in geval van een calamiteit, aantonen aan de Arbeidsinspectie welk onderhoud door wie wanneer is gepleegd. Onderhouds- en reinigingswerkzaamheden dienen veilig te kunnen worden uitgevoerd, bijvoorbeeld door de machine stroom-en / of drukloos te maken.

Deskundig gebruik
Voor veel arbeidsmiddelen kan volstaan worden met het opvolgen van de gebruiksaanwijzing en de voorlichting en instructie. Voor bepaalde categorieën arbeidsmiddelen is echter een specifieke deskundigheid vereist. Mobiele arbeidsmiddelen, bijvoorbeeld een heftruck, vragen meestal om zo’n specifieke deskundigheid. In de branche is bepaald dat heftruckchauffeurs dienen te beschikken over een erkend heftruckcertificaat.

Voor het bedienen van mobiele hijskranen en torenkranen met een capaciteit van 10 tonmeter of meer is zelfs een wettelijk verplicht deskundigheidsbewijs nodig. Werkgevers mogen voor die werkzaamheden alleen werknemers inzetten die hiervoor gekwalificeerd zijn. 

Het weghalen van fysieke veiligheidschermen of buiten werking stellen van beveiligingen is niet toegestaan. Vooral voor dit punt hebben werkgevers en werknemers een gezamenlijke verantwoordelijkheid en plicht. De werkgever dient met herhaaldelijke voorlichting en  onderricht en met geregeld toezicht en zo nodig sancties het gevaarlijk gedrag tegen te gaan.

Keuring
Voor sommige arbeidsmiddelen geldt naast een onderhoudsplicht ook een aanvullende keuringsverplichting. Dit is het geval voor de volgende twee situaties:

  1. als de veiligheid afhangt van de manier van installeren (keuring na installatie)
  2. als gebruik of invloeden van buitenaf kunnen leiden tot slijtage, veroudering of verslechtering (periodieke keuring)

De werkgever moet zelf vaststellen of één of beide keuringsverplichtingen op zijn arbeidsmiddelen van toepassing zijn.

Keuring na installatie
De keuring na installeren moet plaatsvinden voordat het arbeidsmiddel voor de eerste keer in gebruik wordt genomen en moet worden herhaald als het arbeidsmiddel is gedemonteerd en/of op een andere plaats wordt geïnstalleerd. Bij de keuring wordt beoordeeld of het arbeidsmiddel op de goede manier is geïnstalleerd en of het veilig en goed functioneert in de arbeidssituatie.

Periodieke keuring
De keuring voor tijdige opsporing van slijtage, veroudering of verslechtering dient periodiek plaats te vinden. Met zo'n terugkerende keuring en de eventuele beproevingstest kan tevens worden nagegaan of er voldoende onderhoud wordt gepleegd, zodat gevaarlijke situaties voorkomen kunnen worden.
Minimaal eenmaal per jaar keuren is verplicht voor arbeidsmiddelen als hijskranen, en transportmiddelen.  In de toelichting van het Arbobesluit is voor overige arbeidsmiddelen minimaal één keuring per jaar als richtsnoer gegeven. Het is raadzaam om de uitkomsten van de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E), te betrekken bij het bepalen van de keuringsfrequentie voor elk arbeidsmiddel dat in gebruik is.

De werkgever bepaalt zelf door wie hij zijn arbeidsmiddelen laat keuren. Voorwaarde daarbij is dat dit door een deskundige persoon of instelling gebeurt. Dit kan bijvoorbeeld een onafhankelijke keuringsinstantie zijn, een onderhoudsdienst van een leverancier of de technische dienst van het bedrijf zelf. 

Een aantal arbeidsmiddelen zoals hijs- en hefwerktuigen, drukapparatuur met een druk hoger dan 0,5 bar, mobiele hijskranen en torenkranen met een capaciteit van 10 tonmeter of meer, containers, en liften voor personenvervoer moeten door een aangewezen onafhankelijke instelling worden gekeurd. Rapportage: Van de uitgevoerde keuringen wordt een schriftelijke rapportage gedaan die in de nabijheid van het gekeurde toestel moet worden bewaard. Op het arbeidsmiddel is door middel van een gedateerde herkenning voor iedereen waarneembaar wanneer de laatste keuring heeft plaatsgevonden. 

Veilig omgaan met electriciteit
Om de veiligheid bij het  werken met elektrische installaties en -apparatuur te waarborgen dient een bedrijf zich te houden aan de voorschriften uit NEN 3140. Er dient in het bedrijf een Handboek NEN3140 aanwezig te zijn dat steeds actueel wordt gehouden. In het handboek worden zaken op het gebied van installatiebeheer en tekeningenbeheer, benodigde procedures en werkinstructies opgenomen. Ook wordt daarin vastgelegd hoe de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden bij werkzaamheden met en aan elektrische installaties en apparatuur zijn verdeeld. De werkgever zorgt ervoor dat betrokkenen voldoende opgeleid zijn om hun werkzaamheden op een veilige manier te kunnen uitvoeren.  Periodieke bijscholing is verplicht.
 
Veilige heftrucks
In hoofdstuk 7 van het Arbobesluit zijn eisen opgenomen voor de constructie en lastaanduiding van mobiele arbeidsmiddelen, zoals heftrucks, reachtrucks en stapelaars. De belangrijkste eisen voor deze transportvoertuigen zijn:

  • Elke vorkheftruck moet voorzien zijn van chauffeursbeveiliging:
    • Veiligheidsgordel of veiligheidsbeugel;
    • Een veiligheidskooi;
    • Zo nodig een gesloten cabine.
  • Op een heftruck moeten een typeplaat en lastdiagram aanwezig zijn op een plaats waar ze voor de heftruckchauffeur duidelijk zichtbaar en afleesbaar zijn. Het diagram moet precies vermelden hoe groot de hefcapaciteit van de heftruck is en hoeveel de exacte hefhoogte bedraagt. Ook moeten er diverse lastzwaartepunten vermeld worden. Standaard zijn dat de waardes die horen bij 500, 600 en vaak ook 800 mm uit de hiel van de vork. Deze afstanden horen bij een palletdiepte van respectievelijk 1.000, 1.200 en 1.600 mm. De lastaanduiding is belangrijk omdat het kantelen van een heftruck door een te zware last een groot gevaar is. 
  • Een elektrische heftruck met een vaste zit- of staanplaats (ook in het geval van een opklapbaar zitplatform) moet voorzien zijn van een stroomonderbreker, die automatisch in werking treedt en de rijaandrijving blokkeert bij het verlaten van de heftruck. 
  • Het kantelgevaar wordt voldoende ingedamd, met name bij hoogteverschillen, hellende vloeren en obstakels.
  • Als op de openbare weg wordt gereden, moet voldaan worden aan de eisen uit de Wegenverkeerswet (bijvoorbeeld voorzien van verlichting, remlicht, knipperlicht en claxon).
  • Als met een heftruck een werkbak op hoogte wordt gebracht, worden de voorschriften gevolgd van de Arbobesluit-artikelen 7.18b en 7.23.d. Enkele belangrijke elementen daaruit zijn:
    • Het werken in een werkbak die op een heftruck is bevestigd, is alleen toegestaan als deze werkzaamheden hooguit enkele malen per jaar plaats vinden en maximaal 4 uur duren, en alleen op plaatsen die op andere manieren niet veiliger zijn te bereiken.
    • De werkbak met inhoud mag niet zwaarder zijn dan de helft van de maximale belasting van de heftruck in de meest ongunstige stand.
    • Tijdens de werkzaamheden is bedieningsplaats van de heftruck steeds bemand.
    • Het rijden met een geheven werkbak mag hooguit met 2,5 km per uur.
    • De werknemer in de werkbak beschikt over een doeltreffend communicatiemiddel.
    • Het gebruik van werkbakken op heftrucks voldoet verder aan NEN 1757 1 t/m 4; bv: werkbak moet aan de vorken of aan het vorkenbord zijn geborgd, er is een goed werkende noodsignaalfunctie etc.).

Verkeersveiligheid
In de branche is bepaald dat bedrijven dienen te beschikken over een verkeersplan. Daarin zijn bijvoorbeeld routes, rijsnelheden en voorrangsregels vastgelegd.